Verslag nummer 84

Toegevoegd op dinsdag 16 december 2025

559 woorden

Het continent zonder eigenschappen

Eigenlijk is het altijd een genot om een boek van Sloterdijk te lezen. Zijn eruditie en intellectualisme gekoppeld aan zijn diepgaande analyses maken zijn een garantie voor interessante, prikkelende, en vernieuwende inzichten. Zelfs wanneer, zoals in het geval van Theopoëzie, de lees- en begrijpbaarheid van de tekst wat verloren dreigt te gaan onder het literaire geweld, is het toch de moeite waard om door te lezen – al is het alleen maar omwille van het schitterende taalgebruik.

Het continent zonder eigenschappen (inderdaad, een knipoog naar de onvoltooide grote roman van Robert Musil) is de bundeling van concepten voor lezingen die Sloterdijk tussen april en juni 2024 aan het Collége de France in Parijs heeft gehouden (de lezingen zelf zijn hier op youtube terug te kijken – overigens een bijzonder saaie setting, ik ben blij dat ik het gewoon het boek heb kunnen lezen). Hij probeert hier de identiteit van Europa te lezen en te duiden als een boek, waarbij hij op specifieke (historische en literaire) plekken bladwijzers legt: sleutelmomenten die de geschiedenis van het Avondland hebben bepaald en waarvan we heden ten dage nog de gevolgen ondervinden.

Samenvatting

Het is lastig om een recentie of samenvatting van een boek van Sloterdijk te geven (soms lijkt het erop of de verschillende recensenten allemaal een ander boek hebben gelezen). Tijdens het lezen heb ik bladwijzers (!) in het boek gelegd op plekken waar Sloterdijk het expliciet over bladwijzers heeft. Hieronder geef ik deze bladwijzers die hij in zijn zeven lezingen analyseert. Omwille van de overzichtelijkheid heb ik ze interactief gemaakt: tab of klik op een titel om de samenvatting te zien te krijgen.

Het Petrarca-effect

Als er zoiets is als het geheim van Europa, ligt dat verscholen in gebeurtenissen die het niveau van eenvoudige reproducties overstijgen. De eigenaardige dynamiek van het leren: een leerverband met sterk selectieve en inclusieve effecten. Zoals Comenius het stelt: "De hele wereld is een school". In dit verband ziet Sloterdijk de kroning van Petrarca tot poeta laureatus in 1341 als de oergebeurtenis van "de echte moderniteit", de "modernisering van de beroemdheid", en hij spreekt dan ook over het Petrarca-effect: je hoeft niet van adel te zijn om roem te vergaren. Zo mensen kunnen en willen leren, worden de kaarten van de sociale mobiliteit opnieuw geschud.

De dynamiek van het gekapitaliseerde geld

Gekoppeld aan de feedbackloop die het leren teweeg brengt, ziet Sloterdijk een tweede bladwijzer in Marx' analyse van het kapitaal in het Communistisch Manifest: het gekapitaliseerde geld circuleert als een automatisch subject en sleurt daarmee de productieverhoudigingen in hun geheel mee. De interpretatie van deze analyse leidt al anderhalve eeuw tot een scheiding der geesten, namelijk in het socialisme en het liberalisme. Deze circulatie van het kapitaal kan alleen ontstaan door continue uitvindingen en verbeteringen – door Sloterdijk "de uitvinding van de uitvindingskunst" genoemd (p.73). Dit gegeven, gekoppeld aan de energie die steenkool biedt, levert een dynamiek op die zich nog vandaag manifesteert.

Nietzsche's Lenzerheide-fragment

Een belangrijk aspect van de 'Eurogenese' ziet Sloterdijk in het gegeven dat Europa "godsdienst-statistisch opzicht de ongelovigste regio van de wereld vormt" (p.84). Secularisatie, geloofsverlies, de zegetocht van het natuurwetenschappelijk wereldbeeld, individualisering en spiritualisering van het religieuze: allemaal kenmerken van Europa als 'bolwerk van ongelovigheid in de wereld' maken en waarvan de eerste systematische analyse gevonden kan worden in Nietzsche's Lenzerheide-fragment van 10 juni 1887 – waarin de term Europees Nihilisme min of meer voor het eerst opduikt. Sloterdijk analyseert dit ook als een 'bevrijding van de religie':

Op onze breedtegraad is de functie van het vormen van een band tussen volksgenoten en medeburgers, die elkaar niet kennen, sinds geruime tijd overgegaan op buitenreligieuze culturele instanties

Out of revolution

Deze bladwijzer positioneert Sloterdijk bij het (vrij obscure) werk van Rosenstock-Huessy, getiteld (in vertaling): Autobiografie van de westerse mens. Dit werk, geschreven door een veteraan die in 1916 bij Verdun slag leverde, bespreekt de revoluties die Europa hebben gemaakt tot wat ze is. Wij allen bezitten dezelfde "stamboom van revoluties" (p. 108): ons idee van gegeneraliseerde vrijheid, van specifieke sociale verhoudingen, is het resultaat van een sequentie van revoluties. Met Rosenstock-Huessy analyseert Sloterdijk een aantal van dergelijke revoluties: De 'pausrevolutie' uit de elfde eeuw, Luther, Cromwell, Robespierre en Lenin.

Alle Europeanen zijn erfgenamen van deze en dergelijke revoluties:

Elk individu op deze lengte- en breedtegraad zou eigenlijk moeten begrijpen dat het, als het beweert vrij te zijn en onverveemdbare rechten te beziten, dit alleen kan doen om het is gedoopt in de bron van de revolutie. De overgrote meerderheid van de Europeanen bestaat zonder enig besef wat ze aan de strijd en het lijden van vroegere generaties te danken hebben. (p.108)

Ondergang van het Avondland

Het werk van Rosenstock-Huessy werd voorafgegaan door Oswald Spenglers Untergang des Abendlandes – een werk dat met name dankzij zijn titel en moment van verschijnen (de vroege herfst van 1918) een stuk bekender is dan De Autobiografie van de westerse mens. Spengler beschrijft de levensloop van "para-biologische wezens, culturen genaamd" (p.134). Door de opkomst en ondergang van historische culturen te analyseren, onderneemt hij een "vooruitziende geschiedschrijving [of een] wetenschapsleer over het noodlot" (p.137).

Sloterdijk schetst Der Untergang in de traditie van Kant, Hegel, Nietzsche, Heidegger en uiteindelijk ook Rosenstock-Huessy, maar concludeert uiteindelijk dat de puur defaitistiche voorspellingen van Spengler niet zijn uitgekomen:

In plaats van een monotoon fellahdom is op West- en Midden-Europese bodem in minder dan een eeuw een niet te resumeren rijkdom aan levensvormen, aan kunst en literatuur, mobiliteit, creativiteit en sensibiliteit tot ontwikkeling gekomen, die door hun pure bestaan alle summiere cultuurpessimistische oordelen logenstraffen, ook al ontbreekt het niet aan verschijnselen die het verdienen onder de rubriek 'decadentie' te worden geschaard. (p.149).

Het fenomeen van de tweede biecht

Hoewel niet expliciet van een bladwijzer voorzien, gaat Sloterdijk in zijn vierde lezing uitgebreid in op het fenomeen van de autobiografie en de zelfkritiek. De katholieke biecht, die na het Vierde Lateraanse Concilie in 1215 verplicht werd gesteld (p.157), wordt door hem als gezien als prototype van pogingen van de westerse mens om zichzelf vrij te pleiten. Aan de hand van onder andere de Confessiones van Augustinus, Les Confessions van Rousseau of Mon Coeur mis à nu van Beaudelaire beschrijft Sloterdijk de toenemende neiging van de West-Europese mens om zichzelf mee te delen – met name sinds de uitvinding van de publieke opinie in de achttiende eeuw.

Wie zo openlijk weerstand biedt tegen de antiek en middeleeuws argumenterende overreding om deemoed te betrachten met het ook op de sterfelijkheid, moet al een Europees mens zijn die uit modern hout is gesneden. (p.171)

Het expansionisme

De bladwijzer van het expansionisme legt Sloterdijk bij de vroege zeevaarders die gedreven door "deliria, dagdromen, vrome wensen of sturende dwalingen" (p.186) de kusten van het Avondland verlieten op zoek naar Nieuwe Werelden. Het expansionisme wordt volgens hem door twee sleutelbegrippen gekenmerkt: enerzijds de gedachte van "ga, en steek de wereld in brand" (ite, inflammate omnia, p.188), en anderzijds het fenomeen van de missie (een woord dat zowel "handeling, motivatie voor die handeling en haar organisatie" aanduidt, p.189).

Dit hele fenomeen wordt goed verwoord door Cecil Rhodes, wanneer hij stelt dat "Expansion is everything" (p.182) – een gedachte die het onvermijdelijke racisme en de asymmetrische verhoudingen tussen kolonisator en gekoloniseerde (p.199) tot gevolg heeft. Sloterdijk munt in dezen de fijne term "fictie van de zendingstheologie" – de gedachte dat "de ongedoopte volkeren van de Nieuwe Wereld onbewust koortsachtig hadden uitgezien naar hun ontdekking, bekering en verlosssing" (p.199).

De onverteerbaarheid van het Europees universalisme

In zijn laatste lezing gaan Sloterdijk in op de geopolitieke ontwikkelingen na de Tweede Wereldoorlog en de veranderende rol van Europa op het wereldtoneel. Hij ziet hierin een omdraaiing van Rudyard Kiplings oproep to take up the White Man's burden, die namelijk omgeslagen is in "de routine problemen van de niet-westerse wereld, zowel de oplosbare als de onoplosbare, op het schuldconto te schrijven van de leukosfeer" (p.238). De dekolonisatie, de Verenigde Naties, de verzelfstandiging van voormalige kolonieën delen allemaal "hun verlegenheid met andere Europese exportgoederen, met name wetenschap, techniek en industrie."

Het kritische kenmerk daarvan blijkt uit het feit dat ze, eenmaal in handen van niet-Europese gebruikers gevallen – niet teruggeroepen kunnen worden. (p.239)

De hiermee corresponderende bladwijzer legt Sloterdijk bij het 'Antropofage manifest' van de relatief onbekende Braziliaanse auteur Oswalde de Andrade. Veel van het postkoloniale denken is nog altijd indirect Europees georiënteerd; het is geïnitieerd door "verteerbare koloniale agenten die niet door inheems-intestinale processen kunnen worden afgebroken" (p.252). Men kan Europa niet bestrijden zonder het te citeren.

Conclusie

Het continent zonder eigenschappen is één van de betere boeken die ik het afgelopen jaar heb gelezen. In de huidige geopolitieke constellatie is het van groot belang dat Europa zich beraamt op haar rol in de wereld, en daarvoor is het essentieel dat men nadenkt over wat zij te brengen heeft, hoe haar geschiedenis doorwerkt in het hedendaagse en wat de structuren zijn die haar toekomst bepalen. Dit boek lijkt me een waardevolle eerste aanzet tot die discussie.

Natuurlijk, Sloterdijk tapt uit vaatjes die we wel van hem gewend zijn: de dynamiek van het ondernemerschap, Europeanen als globale havenarbeiders, of analyses over de bolvorm van de aarde – allemaal onderwerpen die ook al in zijn Kristalpaleis (2006) de revue passeren. Maar het is goed om deze en vergelijkbare onderwerpen nogmaals voor het voetlicht te brengen en te actualiseren.

Doordat we te maken hebben met lezingen zitten er hier en daar wel wat dubbelingen in de tekst – zo wordt Cecil Rhodes bijvoorbeeld op z'n minst twee keer geïntroduceerd (op p.186 en op p.214), of heeft hij het op verschillende plekken over Het boek van het zand van Jorge Luis Borges (op z'n minst op p.31 en p.89). Maar nergens is dit irritant of zelfs maar werkelijk opvallend. Aan de andere kant zijn er ook wel weer zeer waardvolle inzichten en zinsnedes – bijvoorbeeld wanneer hij het heeft over 'de mensonterende gemakzucht van de moderne tijd'.

De boekleggers die hij identificeert zijn misschien wel wat arbitrair. Zo mist hij in mijn beleving de hele muziekgeschiedenis (waarom geen boeklegger gelegd bij das wohltemperierte Klavier, om maar iets te noemen), maar uiteindelijk vormt dit werk een belangrijke aanvulling in het onderzoek naar de identiteit van Europa.