Verslag nummer 83

Toegevoegd op zondag 7 december 2025

969 woorden

Negentien negentien

Inleiding

Ik kocht dit boek (natuurlijk bij Godert Walter) omdat ik er een zeer positieve recentie in Trouw over had gelezen. Ik heb nog steeds een grote interesse in de Eerste Wereldoorlog en wanneer er een nieuwe roman over verschijnt ben ik altijd geneigd deze te kopen.

De oorlog in 1919

Het verhaal draait om Henry Bennett, een veteraan die in juli 1916 op instigatie van zijn vriendin Sarah Clifford (dame van high society) heeft aangemeld. We ontmoeten hem wanneer hij in augustus 1919 naar Ieper terugkeert. Hij verblijft daar in een hotel dat door Babette en haar zuster wordt bestierd. Naast Bennet wordt het hotel bevolkt door een groep van mensen die onder leiding van ene kapitein Scott de belangrijke en interessantste plekken van de veldslagen die daar in de buurt zijn gevoerd bezoekt – een soort vroeg oorlogstoerisme. Eén van de personen in deze groep is mevrouw Blackwell, die op zoek is naar het graf van haar overleden man Colin.

Dit centrale verhaal wordt hoofdstuksgewijs afgewisseld met hoofdstukken die zich afspelen tijdens de oorlog (of een enkel hoofdstuk net ervoor of net erna). Zo leren we dat Bennett al vrij snel na zijn aankomst naar de eerste linie wordt gestuurd, dat hij getuige is van de zogenaamde mijnenslag (de Tweede Slag om Mesen, p.220), en dat hij op verschillende momenten gewond is geraakt en in verschillende Lazaretten heeft gelegen.

Maar één van de belangrijkste gebeurtenissen tijdens de oorlog is zijn vriendschap met Archie Mason. Bennett ontmoet Mason als vrij snel na zijn aankomst bij het front en na verloop van tijd vormen ze een onlosmakelijk duo – een situatie die tot de onvermijdelijke homo-erotische scène leidt (p.200). Samen met nog een paar leden van zijn divisie nemen Bennett en Mason in oktober 1917 deel aan de Derde Slag om de Ieper, met name nabij Poelcapelle en Passchendale. De gebeurtenissen in een granaattrechter tijdens deze slag vormen feitelijk de basis voor het hele verhaal.

Tijdens zijn verblijf in Ieper in 1919 ontvouwen zich allerlei verhalen aan de hand waarvan de exacte gebeurtenissen uit 1917 kunnen reconstrueren en hoe die in het dagelijks leven van Bennett doorwerken. Zo loopt hij tijdens een bezoek aan Essex Farm opvallend genoeg zijn vriend Mason tegen het lijf – Mason die blijkbaar niet is gedemobiliseerd maar in België is gebleven om te helpen de graven te delven en de rotzooi op te ruimen. Maar ook raakt hij in gesprek met de zus van Babette over de situatie van België direct nadat de kanonnen zwegen:

Jullie denken toch zo graag dat júllie de slachtoffers zijn, nietwaar? Al die arme soldaten die hier gevochten, geleden hebben, die hier de boel stukgeschoten hebben, onze huizen leeggeroofd, onze grond vergiftigd. [...] En zodra de oorlog weer gedaan was, konden jullie weer naar huis, waar jullie bedje mooi opgemaakt klaarstond en moeder de thee warm hield. (p.149)

Bennett ergert zich aan het toerisme van Scott en zijn groep, noemt het respectloos en vindt het onbegrijpelijk. De paar keer dat hij met hen meegaat, besluit hij te voet naar het hotel terug te keren (ondanks dat hij door een wond aan zijn enkel niet goed kan lopen). Hij helpt mevrouw Blackwell met het localiseren van het graf van haar man, waarna er bijna een romantische affaire tussen hen ontstaat – die echter niet tot volle bloei komt.

Na wat wederwaardigheden en een opvallende ontknoping (die ik hier toch maar niet ga prijsgeven), besluit Bennett nog wat langer in België te blijven om te helpen met het ontwerpen van gedenkmonumenten en grafvelden – hij is tenslotte als tekenaar en beeldhouwer getraind.

Een scherpe pen

Het is een aardig boek om te lezen. Sax tapt een beetje uit eenzelfde vaatje als Remarque, inclusief een zwemscène in een kanaal en het gevoel van huisloosheid wanneer Bennett op verlof is, maar thuis niet meer kan wennen (H22, pp.244-255; beide situaties herkennen we uit Im Westen nichts Neues), maar doordat ze het verhaal direct na de oorlog positioneert geeft ze duidelijk een nieuwe draai aan de meer bekende verhalen. En de opbouw van het boek, met de per hoofdstuk afwisselende chronologie, zorgt ervoor dat je door blijft lezen omdat je wilt weten wat er nu eigenlijk gebeurt is. Niet dat dat een goedkoop trucje is, overigens: het lijkt erop dat Sax op deze manier de chaotische gedachtengang van Bennett heeft willen simuleren.

Hoewel het verhaal hier en daar ook wel een beetje doorkabbelt, heeft Sax op verschillende plekken een vrij scherpe pen. Bijvoorbeeld wanneer Bennett nadat ze het graf hebben gevonden aan mevrouw Blackwell probeert duidelijk te maken onder wat voor condities haar man is overleden:

Alles was hier één modderbrij. Geen gewone plassen, maar diepe, zuigende modder. Als een moeras. Je bleef erin vastzitten. Je kon erin verdrinken. De linie was zo ver opgeschoven dat we geen loopgraven meer hadden. We zaten in granaattrechters die aan elkaar gegraven waren. Daar wachtten we. In de stromende regen. Tot we moesten aanvallen. Je kon niet oprukken, je worstelde je door de modder. Kniediep. In het beste geval. Op sommige plaatsen ondoorwaarbaar. De smurrie bleef aan je voeten, aan je benen hangen, vertraagde je. En ondertussen beukte de artillerie op je in. De Duitse machinegeweren namen alles onder vuur. Ze waren ongenaakbaar in hun betonnen bunkers. Je moest van de ene naar de andere granaattrechter en zo oprukken, maar je kon niet rennen. (p.307)

Conclusie

Ik denk dat Sax met dit werk een aardige toevoeging heeft gegeven aan de zeer uitgebreide literaire traditie van de Eerste Wereldoorlog. Misschien dat dit niet zo'n klassieker wordt als de Regeneration trilogie, maar dat werk is natuurlijk ook alweer veertig jaar oud. Het gegeven dat er honderdtien jaar na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog hier nog steeds interessante literatuur over verschijnt maakt maar weer eens duidelijk dat we nog lang niet zijn uitgedacht over deze oerkatastrofe van de moderne tijd.