Verslag nummer 98

Toegevoegd op zondag 21 juni 2026

595 woorden

Het oogappeltje van dokter Josef

Dit boek las ik naar aanleiding van een beschrijving ervan in Trouw.

In 'De Oogappel' volgen we de tweelingzusters Czechna en Leokadia, die samen met een aantal andere bewoneres hun dagen in een huis voor ouden van dagen slijten. Gedurende de snikhete zomer waarin de roman zich afspeelt maken we kennis met meneer Leon, die continu lamenteert over zijn hondjes die niet mee naar dit verzorgingshuis mochten; met meneer Henoch, die consul in Afrika was en steeds vraagt of iemand zijn bijzondere en exotische krantenmesje heeft gezien; met meneer Boźydar, die telkens met petities op de proppen komt; meneer Szymon, die op onvoorziene momenten in scheldkannonades uitbarst; en zo nog een aantal personen...

De oogappel uit de titel betreft mevrouw Czechna en die doktor Josef is natuurlijk Josef Mengele. Door haar schoonheid en doordat ze de helft van een tweeling was (of wat dat een trucje van hun vader, die wist hoe interessant ze in het kamp tweelingen vonden) viel mevrouw Czechna bij de selectie op en werd ze onderwerp van allerlei experimenten van Mengele.

Het afwezige aanwezige

Althans, dat nemen we dan maar aan; één van de heel sterke kanten van dit werk is dat Rudzka nergens heel expliciet ingaat op de oorlog of de kampen. Door dit juist heel impliciet en metaforisch te doen blijft dit gebeuren continu als een verstikkende afwezige aanwezig. Het blijkt uit kleine dingen: de stukjes brood die mevrouw Czechna telkens in haar mouwen verstopt, een luchtig gesprek dat plotseling gaat over dood en verderf, of de continue angst om afgevoerd te worden.

Op de spaarzame plaatsen waar de oorlog wel expliciet naar voren komt, blijft dit heel subtiel – en daardoor heel dreigend:

Urenlang keek ze in de spiegel. Naar de kam die haar haren gladstreek. Mevrouw Czechna kreeg de indruk dat de tijden van waken en slapen niet meer bestonden. [...] Ze was moe, zo moe. Ze liep over van vermoeidheid. Hij kwam weer naar haar toe. Dokter Joseph. Gebruind. Gelijk aan de hemel. Afwezig. Ongehoorzaam. Doof. Hij floot terwijl hij door het kamp liep. Bleef staat. Zijn gesteven schort ritselde. Hij raakte niets aan. Wees met zijn gehandschoende hand. Liet haar op de sectietafel plaatsnemen. Toonde haar hoe ze zich moest uitstrekken, moest blijven liggen op het metalen blad, bedekt met korsten van andermans lichaamssappen. [...] Zij was daar zodat hij zichzelf kon haten. (p.194)

Geritualiseerde gesprekken

Het bijzondere van dit boek is dat er eigenlijk helemaal niks gebeurt. Als in een processie passeren telkens dezelfde verhalen, gebeurtenissen of gesprekken. Zo wachten de bewoners steeds opnieuw op de kersen, waarna de gesprekken gaan over de herinneringen aan tweelingkersen, of over hoe de mannen blootvoets hoog in de boom klommen.

Hoewel, van gesprekken is eigenlijk geen sprake. De bewoners spreken meer dan dat ze luisteren en de reacties op de verhalen zijn net zo automatisch als de verhalen zelf: ingesleten, vanzelfsprekend, geprotocolleerd: een bejaardenhuis waar zelfs de herinneringen vervagen, mensen op een bezoek van vergeten kinderen en kleinkinderen blijven hopen, waar passieve agressie van tot elkaar veroordeelden de toon zet.

Conclusie

Het is niet alleen door het onderwerp een indrukwekkend boek – de stijl van Rudzka maakt het geheel ook beklemmend, verwarrend, angstaanjagend zelfs. Tijdens het lezen heb je telkens het idee dat de hel los zal barsten, maar juist dat dat niet gebeurt maakt het totaal sterk. Eigenlijk gaat het boek niet over de ervaringen van mevrouw Czechna in het kamp, maar gaat het over ouderdom en verval. En eigenlijk gaat het ook over de huidige periode, waarin de Tweede Wereldoorlog definitief over de rand van de geschiedenis wordt geduwd.