Wat gebeurde er in de twintigste eeuw?

In mei 2026 las ik het boek Wat gebeurde er in de twintigste eeuw van Peter Sloterdijk. Dit boek bestaat uit een achttal essay of voordrachten die hij in tussen 2005 en 2013 heeft gegeven of geschreven. Omdat er best veel informatie in deze tekst zit, dacht ik dat het wel aardig zou zijn om een wat uitgebreidere samenvatting van elk hoofdstuk te maken. Om het overkoepelende boekverslag niet al te groot te maken, heb ik ervoor gekozen die samenvattingen op deze separate pagina weer te geven.

1. Het Antropoceen

Na een korte analyse van het begrip 'Antropoceen' en de daaraan gekoppelde verstoring van het gelijkmatig doorstromen van de tijd, komt Sloterdijk met een zestal 'zelfversterkende cirkelprocessen': de beeldende kunst, het kredietwezen, de machinebouw, het staatswezen, het wetenschappelijk onderzoek en het rechtswezen (p.15). Na een sequentiële analyse van al deze zes concludeert hij dat alle genoemde mechanismen er het hunne toe bijdragen dat "de temporele dimensie steeds meer gaat opvallen" (p.19).

De moderniteit wordt gekenmerkt door een andere omgang met onze omgeving. In pre-moderne tijd was de natuur altijd de achtergrond waartegen het menselijk handelen plaatsvond (hij spreekt over een "coulissen-ontologie", p.19). In de moderne tijd echter is er een gezamenlijke geschiedenis van de mens en natuur (Marx) – een geschiedenis waarin sinds begin twintigste eeuw gewaarschuwd wordt over de eindigheid van de natuurlijke grondstoffen.

Hierna spreekt hij over Buckminster Fullers Operating Manual for Spaceship Earth (1968), waaruit blijkt dat het in-de-wereld-zijn zich in deze periode ontpopte als een aan-boord-zijn. We zijn wel passagiers, maar we hebben geen gebruiksaanwijing. Om die reden is de conditio humana "autodidactiek op leven en dood": we moeten "door schade en schande wijs worden" (p.24).

Dit wijs worden betekent volgens Sloterdijk het modificeren van het kinetisch expressionisme: het gegeven dat we dankzij de verbrandingsmotoren een radicaal andere opvatting over vrijheid en persoonlijkheid hebben dan mensen in de pre-moderne tijd (hij refereert hier aan Phileas Fogg, die tijdens de oversteek van de Atlantische Oceaan zijn eigen schip gaat opstoken). Deze modificatie houdt niets minder in dan een "decarbonisatie van de civilisatie" (p.28) – een eis die, pace Buckminster Fuller, eerder door meteorologen dan door ontwerpers wordt gesteld.

Deze transformatie wordt door hem voorgesteld als een "reformatorische gigantenstrijd" die uiteindelijk moet leiden tot een "meteorologisch socialisme" (p.31): het begrip 'antropoceen' impliceert "de zorg om de cohabitatie van de aardburgers zowel in humane als niet-humane vorm" (39).

2. Van de domesticatie van de mens naar de civilisatie van culturen

In dit essay bespreekt Sloterdijk de frictie tussen het wilde individu en de getemde samenleving. Hij stelt dat exemplaren van de soort homo sapiens altijd al producten zijn van autodomesticatie (p.47). Hij onderscheidt vijf manieren waarop dit "temmen, kweken, hoeden" (p.41) plaatsvindt.

Allereerst zijn daar de opvoeding en de politieke leiding. Onder referentie naar Plato's Staat en de Christelijke interpretatie daarvan analyseert hij deze wijze van dresseren als een pastorale antropologie: "beelden van kuddes en herders die sinds bijna tweeduizend jaar aan de logica van de christelijke gemeente ten grondslag liggen" (p.42).

Een tweede stap is gelegen in Darwins "naturalisatie van de geschiedenis van de soort" (p.42). Door het teleologische gedachtengoed dat hieruit spreekt, is het noodzakelijk dat de mens uit de wildernis getrokken wordt en naar de "geciviliseerde huiselijkheid" overgaat.

Ten derde zien we sinds de "onthulling van het geheim van de neotenie" in dat de cultuur "in haar geheel functioneert als een omvattende broeikas" (p.45). Neotenie is het fenomeen dat dieren tot na hun volwassenwording kinderlijke eigenschappen behouden – een fenomeen dat in verband gebracht wordt met nestzekerheid. Een ander aspect van neotenie is dat het moment van geboorte wordt vervroegd, waardoor er behoorlijk onrijpe individuen ter wereld komen. Al deze tendensen komen samen bij homo sapiens, "waarvan het kroost op het moment van geboorte een extreme onrijpheid vertoont" (p.44).

De vierde vorm van temming is een radicalisering van de derde: we zien dat culturen een strategische overlevingsstrategie vormen, en dat de meest succesvolle culturen in de regel "zowel de meest huiselijke als de meest oorlogszuchtige zijn" (p.50). Culturen vereisen coöperatie in de meest stressvolle situaties, wat met name in de militaire dressuur tot uiting komt.

Ter afsluiting noemt Sloterdijk een vijfde betekenis van het begrip 'domesticatie', namelijk dat de biologische reproductie in "hoge mate behoefte heeft aan regulatie" (p.54). Het is maar de vraag of deze vorm van autodomesticatie op de korte termijn plaats zal vinden.

3. Het experiment 'oceaan'

Dit essay gaat over globalisering: "de snelle opheffing van het recht op onwetendheid" (p.65). De term zelf lijkt in 1983 gemunt door Harvard-econoom Theodore Levitt, wanneer deze spreekt over de 'globalisering van de markten'. Dit proces had nooit kunnen plaatsvinden zonder de "invasie van digitale procedures in de communicatieve activiteiten van de civilisaties" (p.58), waardoor de wereld synchroon is geworden.

Maar deze synchroniciteit mag ons niet blind maken voor de trage onderstroom die eveneens essentieel onderdeel van de globalisering is. Het zijn de langzame massastromen van producten en personen die "aan de snelle informatie een materiële inhoud geven" (p.59).

Deze processen vinden hun oorsprong in de zeevaarders van het Iberisch Schiereiland halverwege de vijftiende eeuw. Om dit te verduidelijken raadt Sloterdijk ons aan 'globalisering' niet af te leiden van het adjectief 'globaal', maar van het substantief 'globe': 'globalisering' berust in op het geloof in de "bereikbaarheid van de andere oever" waar rijke aardse goederen te vinden zijn (p.59). Het houdt in dat de hele globe wordt betrokken bij "de psychodynamica van het zoeken naar geluk" (p.60).

Globalisering is volgens Sloterdijk niet te onderscheiden van oceanisering en heeft altijd de vorm van een experiment. Het experiment is de modus vivendi van de moderne mens, waarbij ze de randvoorwaarden verwaarlozen – verwaarlozingen die uiteindelijk in de zee uitmonden (p.66). En hier komt het probleem van de globalisering naar voren, want de zee "kan de haar toebedachte rol als absorbens voor verwaarloosde factoren van menselijke experimenten niet meer vervullen" (p.67).

Uiteindelijk zullen we ook de globalisering moeten temmen, wat niets minder inhoudt dan een culturele revolutie: "zij betreft het civiliseren van het zoeken naar geluk zelf" (p.67). Zolang dit niet lukt, blijven alle technologische en legale interventies slechts oppervlakkige modificaties.

4. De gesynchroniseerde wereld

In deze korte lezing tapt Sloterdijk uit hetzelfde vaatje als in 'Het experiment Oceaan'. Ook hier gaat hij in op de reizen van Columbus waardoor de Atlantische Oceaan werd ontsloten als een nieuwe Middellandse Zee. Deze reizen werden gevolgd door die van Magellaan, die als eerste via de west-route een "weg zou vinden naar de legendarische specerijeneilanden" (p.76).

De reis van Magellaan was ingegeven door een honger naar kruiden en specerijen – "de afrodisiaca van de toenmalige ondernemersklasse" (p.77). Globalisering (en in het verlengde hiervan de modernisering) begint dus bij de smaak. Maar deze reis bracht ook het bewijs mee terug dat het aardoppervlak een betrouwbare atmosferische eenheid vormde.

Uit deze analyse ontstaat het idee van een 'standplaats' en een 'terugkeer', en het trefwoord dat daarachter schuil gaat: bereikbaarheid – "het latente en manifeste dieptethema van de huidige tijd" (p.78, zie ook Rosa's categorisch imperatief van de moderniteit, Resonanz, p.618). Een kenmerk van dit dieptethema is dat de bereikten niet langer de anderen zijn, maar de Europeanen inmiddels zelf ook. Toeristen en asielzoekers tonen ons dat we in het tijdperk van omgekeerde bereikbaarheid zijn aangeland.

Er zijn, scripsit Sloterdijk, geen argumenten te verzinnen "waarmee de Europeanen de verantwoordelijkheid voor globaliseringsvraagstukken van zich af kunnen schuiven". Na vijfhonderd jaar uitbuiting, moeten ze zich nu niet ineens als "kleinzerige kleuters gedragen" (p.82).

5. Wat gebeurde er in de twintigste eeuw?

Zoals de titel al verraadt, probeert Sloterdijk hier de twintigste eeuw aan een grondige analyse te onderwerpen – een eeuw die zich door al haar strijd en gruwelijkheden aan een directe waarneming onttrekt ("la soleil ni la mort ni le XXe siècle ne se peuvent regarder fixement", p.87). Alle grote motieven en stromingen zijn niet meer dan een "goudmijn van onderwerpen voor amusementsfilms tegen tragische decors". Het meest concrete dat er over deze eeuw te melden is, lijkt het motto van Natach Michel te zijn: "La XXe siècle a eu lieu" (p.86).

De algemene hypothese waar Sloterdijk van uitgaat is een omkering van stromingen. Hiermee doelt hij enerzijds op "de synergie van het succesvolle consumentisme met de beeldenwerelden van het aangename leven en zijn bovenbouw van neoliberale doctrines" en anderzijds op "de ondergang van de linkse tradities" (p.85).

Er zijn verschillende pogingen ondernomen om de twintigste eeuw te duiden: als een titanenstrijd tussen complexiteit en simplificatie, of tussen liberalisme en egalitarisme, als een 'tijdperk van extremen', als het tijdperk van de wereldburgeroorlog, de omwenteling van alle tradities (met name de overgang van agrarische naar urbane samenlevingen), of als het atoomtijdperk – om maar een paar voorbeelden te noemen.

Als centraal drama in de twintigste eeuw noemt Sloterdijk het geloof in een "door antizwaartekracht verlicht bestaan" (p.95), of de "doorbraak van de passion du reéel" (p.96) waarvan hij de oorsprong herleidt tot de Franse Revolutie. Na een uitgebreide analyse van de literatuur en filosofie van de negentiende eeuw (!) komt hij uiteindelijk op het novum van de twintigste "de constructie van het westerse systeem van levensontlasting op basis van de extensieve fiscale staat en de op fossiele brandstoffen gebaseerde civilisatie van het massacomfort" (p.104).

Dit novum is mogelijk dankzij de exploitatie van een "nieuwe algemene dienaar" (p.105), waarmee "het epos van de motoren" (p.107) begint. Een sociaal gevolg hiervan is het idee van "vrijheid als recht op mobiliteit voorbij alle grenzen" (p.111) en verspilling als "eerste burgerplicht" (p.112).

Een andere exploitatie die dit massacomfort mogelijk maakt is volgens Sloterdijk gelegen in de uitbuiting van de niet-menselijke dieren: de "grootste legale drugsmarkt" ter wereld (p.115).

6. De permanente renaissance

In dit korte essay gaat Sloterdijk op zoek naar de bronnen van het moderne besef van geluk en ongeluk van de Europese mens. Hij begint deze "excursie" in de veertiende eeuw,. Hier ontwaren we de eerste contouren van een mens die niet alleen maar onderdeel is van de natuurlijke historie of vaststaande kentekens of rituelen, maar "een wezen dat het klimaat actief beïnvloedt " (p.126).

Specifiek begint Sloterdijk zijn analyse bij de Decamarone van Boccaccio. Hierin wordt tegen de achtergrond van de pestepidemie in Florence een eerste tegencultuur ten tonele gevoerd: een groep personen die in een kerk samenkomt om elkaar verhalen te vertelen (novellare), een verhalende bezigheid die we "in later eeuwen als 'informeren' bestempelen" (p.129). Honderd verhalen over de menselijke natuur die mogelijk tegenover de honderd gezangen in Dante's Goddelijke komedie gezet moeten worden.

Boccaccio zag in dat de pestepidemie "het symbolische web waarin het leven van christenmensen tot dan toe was ingesponnen" aan stukken scheurde (p.130). De verhalen uit de Decamarone laten zien dat het leven mooi is, ze leveren een "alternatieve warmtestroom" die leidt tot een "tweede gelovigheid" waarvoor we in de twintigste eeuw de term "hoop" heeft voorgesteld (p.132).

Vanuit deze analyse wordt de Renaissance gezien als "regeneratie in het algemeen", als een "project om het lot te saboteren" (p.133). De renaissantistische stad bij uitstek, Venetië, wordt bezocht door allerlei kunstenaars en wetenschappers, mensen die allemaal hun individuele geluk nastreven. Om deze reden ziet Sloterdijk ook een nieuwe drie-eenheid van de Renaissance: "de Vader, de Zoon en Fortuna" (p.139) – de Renaissance is "de redactietijd van het Nieuwere Testament" (p.146).

In de moderne tijd wordt het evangelie niet meer vanaf het kansel verkondigd, maar wordt het in de vorm van novellen en nieuwsberichten verspreid "dankzij hun eigen netwerk en hun instrinsieke kwaliteiten" (p.144). Door "de legende van de eerste plaats te verdringen [staat de novelle] ongetwijfeld model voor de overwinning van het interessante boven het stichtelijke" (p.142).

7. Odysseus de sofist

In dit fraaie essay gaat Sloterdijk in op de verschillende epitheta die Homerus aan Odysseus toekent. Hij pobeert hiermee een handreiking te geven hoe iemand na een lange oorlog en een evenlange zwerftocht toch weer thuis kan komen en het op deze manier te koppelen aan het hedendaagse Europa. De Odyssee is "het grootste recivilisatieverhaal van de wereldliteratuur" (p.150). "Wie de afgematte Europeanen opnieuw wil uitleggen wat Europa inhoudt, moet de oude boeken weer openslaan" (p.182).

Odysseus is polytropos de "held van de uitgestelde beweging naar het doel" (p.153). Deze wendbaarheid maakt dat hij zich in veel netelige posities manoevreert, maar daar ook altijd weer een uitweg uit weet te vinden. Hij is dan ook polymetis, veel-listig. Hij blijft in zijn listigheid nog aan de actuele situatie gebonden (er is nog geen theoretische kennis zoals die later eerst bij de sofistiek en vervolgens bij de filosofie zou bestaan), en kan omgaan met de voorgestelde taken ("wat op zekere dag 'problemen' genoemd zullen worden", p.159).

De "meest pathetische van de homerische adjectieven" (p.165) is polytlas dios Odysseus, de goddelijke dulder. Tijdens zijn reizen moet Odysseus veel ondergaan, waarmee de klassieke link tussen reizen en lijden expliciet wordt gemaakt. Dit dulden is echter geen passief ondergaan, maar heeft "het karakter van een heldendaad" (p.167).

Het laatste epitheton dat Sloterdijk uitgebreid analyseert is polymechanos, wat herinnert aan het "evidente verband tussen list, slimmigheid en machine" (p.174). Oorspronkelijk is een mechané niet anders dan een kunstgreep of een list – denk aan de Deus ex Machina. Pas later, met complexere werktuigen, is er echt sprake van een machine, een apparaat om de natuur te slim af te zijn. "We moeten voor ogen houden dat de zegetocht van de machine in de humane sfeer in de tijd van Homerus was begonnen" (p.176).

Met al deze zaken staat Odysseus aan de basis van onze Europese cultuur, waarbij elke cultuur begrepen wordt als de worsteling tussen kunnen en niet-kunnen. Hij is de eerste mens die "een fundamenteel recht op niet-hulpeloosheid wordt toegekend" (p.182).

De andere logos

Dit laatste essay, wat ik zelf het lastigste vond, gaat in op de "academisering van de logos" (p.186) in het Athene ten tijde van de Dictatuur van de Dertig. Het gaat er hierbij om dat de filosofie (en in haar kielzog de wetenschap) zich buiten de alledaagse leefwereld heeft geplaatst.

Uit eenzelfde analyse als in 'Odysseus de sofist' concludeert Sloterdijk dat intelligentie altijd een investering in die indirectheid betreft, terwijl "directheid correspondeert met domheid" (p.191). De radicalisering van deze gedachte leidt tot een rationaliteitscultuur die gedecontextualiseerd en gedepersonaliseerd is – overwegingen die ook de hedendaagse wetenschappen kenmerken. Deze "wereldvreemdheid" wordt pas in het door Heidegger geïnitieerde fenomenologisch onderzoek bevraagd, door diens "imbedding van rede en onderzoek in de leefwereld" (p.196).

Sloterdijk komt vervolgens met een aantal "vingerwijzingen" van uitingsvormen van "handelswijzen en situaties" waarin de rede wordt "verschalkt" (p.201). Allereerst bespreekt hij Giorgano Bruno die de relatie tussen subject en object feitelijk omdraait. De onderzoeker is op zoek naar kennis, maar wanneer hij dit heeft bereikt, valt hij hier zelf prooi van.

Bij Kant zien we vervolgens dat de natuur als geheel "semi-allegorisch als een ver vooruitziende pedagoge kan worden voorgesteld" die de mens uiteindelijk brengt op de weg van "vooruitgang en wereldvrede" (p.203). Kant heeft het in dezen over de list van de natuur.

Hegel, de volgende vingerwijzing, tapt uit hetzelfde vaatje wanneer hij het heeft over "de list van de rede. [...] De idee betaalt de tol van het bestaan en de vergankelijkheid niet uit zichzelf, maar uit de hartstochten van de individuen" (p.205). Hij grijpt hierbij terug op Plato's uiteenzetting over de drievoudige werking van de menselijke ziel, waarbij het rationele deel (logistikon) slechts als slaaf van begeerte en trots (eros en thymos) kan opereren.

Schopenhauer, ten slotte, ziet in hetzelfde kader de lust en de persoonlijke voortplanting als een "pre-persoonlijke kracht, waarvan de tendens uitgaat naar blinde reproductie van de soort" (p.209).

Het essay eindigt met een korte beschrijving van een aantal "motieven van de actieve list in de rationaliteitscultuur van de moderne tijd in Europa" (p.211). Specifiek gaat Sloterdijk hier in op de recente machinebouw, op strategisch ondernemingsadvies, en op hoe de kunst zich heeft losgemaakt van de religieuze controle.